De Middeleeuwen
Muzikanten waren veelvuldig aanwezig in dorpen en steden. Speellieden zorgen voor vertier tijdens feesten en plechtigheden. Ook tijdens kerkdiensten hadden muzikanten een rol, al oordeelde de kerk lange tijd dat blaasmuziek ‘heidens’ was. Ze accepteerde alleen zangers en organisten in de kerk.
Vanaf 1500 speelden muzikanten op instrumenten
als trompet, fluit, bazuin, harp, luit en doedelzak.
Er werd steeds meer instrumentale muziek
gemaakt. De combinatie met zang bleek niet
langer een absolute noodzaak.
Vorstenhuizen in heel Europa stimuleerden
de muzikale ontwikkelingen: zij namen
muzikanten en componisten in vaste dienst.
Dit betekende een belangrijke impuls voor
de algemene ontwikkeling van de muziek.

